10 september 2026
We hebben de situatie in Natura 2000-gebieden niet eens goed in beeld...
Als we voor ons Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG), natuurbeheer, vergunningverlening, enzovoort zoveel waarden hechten aan hoe het er precies voor staat met een Natura 2000-gebied, waarom zijn de evaluaties van die gebieden dan niet in orde? De aanwezigheid van Natura 2000-gebieden heeft in verschillende opzichten grote invloed op de omgeving. Dan kan het niet zo zijn dat we eigenlijk heel slecht in beeld hebben hoe het er in die gebieden voor staat. Lees hier de bijdrage van Bertrick van den Dikkenberg in de commissie Landelijk gebied, Water, (Bodem) en Milieu (LWM).
'Er is een alternatief juridisch denkbaar, waarin we van het stikstofslot kunnen komen. Echter is het dan nodig om extra in te zetten op twee dingen: goed beheer van de instandhoudingsdoelstellingen en een beoordeling van de effecten van de instandhoudingsdoelen op de omgeving.'
We spreken over een brief met adviezen van de Ecologische Autoriteit over de evaluaties van onze Natura 2000-beheerplannen. Dit vraagt om twee redenen de aandacht van Provinciale Staten: een procedurele reden en een inhoudelijke reden.
Waarom is dit belangrijk? - De procedurele reden.
De procedurele reden is dat een Natura 2000-beheerplan een verplicht programma onder de Omgevingswet is. Volgens mij hebben wij geen startgesprek gevoerd over de totstandkoming van de Natura 2000-beheerplannen, terwijl deze bijna worden vastgesteld door Gedeputeerde Staten (GS). Bij uitstek is dit een programma waar Provinciale Staten (PS) urgentie kunnen meegeven op deze plannen. Daar vormen de evaluaties een goed startpunt voor. Wij verzoeken daarom GS om alsnog een moment in te richten om diep inhoudelijk in te gaan op de evaluaties en PS gelegenheid te geven inbreng te leveren op de lijn van GS in de beheerplannen.
We kúnnen van het stikstofslot komen...
Waarom is dit van belang? Omdat artikel 6 van de Vogel- en Habitatrichtlijn meer is dan het Additionaliteitsbeginsel. Er is een alternatief juridisch denkbaar, waarin we van het stikstofslot kunnen komen. Echter is het dan nodig om extra in te zetten op lid 1 en 2 van artikel 6. Daarin vraagt de Vogel- en Habitatrichtlijn ons om twee dingen:
- Goed beheer op de instandhoudingsdoelstellingen; en
- Een beoordeling van de effecten van de instandhoudingsdoelen op de omgeving.
Niet ieder molletje stikstof heeft een effect op die instandhoudingsdoelen mits je dus in je beheerplannen het een en ander heel goed onderbouwt en ondervangt. Daar kan je vergunningen op geven, omdat het de werkelijke toestand beinvloedt in plaats van de modellenwereld van Aerius.
Waarom is dit belangrijk? De inhoudelijke reden.
Evaluaties lopen achter
De BBB vroeg of het wellicht goed is om de habitattypen te onderzoeken en in kaart te brengen. De gedeputeerde schrijft in zijn antwoord dat dit conform het Studiestelsel Natuur en Landschap eens per 6 jaar wordt gedaan en voegt daar een website bij. Daar zien we echter dat de habitatten helemaal niet actueel zijn. Voor het Binnenveld stamt de laatste kaart uit 2012 en voor Kolland Overlangbroek uit 2009 of 2012. We lopen dus gewoon jaren achter in ons inzicht in habitats. En als je bijvoorbeeld naar Botshol kijkt die wel vrij recent is geëvalueerd (2021), dan zie je alleen een kwaliteitsoordeel goed of matig, geen slecht.
'Hoe is het dan mogelijk dat er wel weer naar een gereedschapkist met maatregelen wordt gegrepen zonder dat er inzicht is in de natuurlijke processen en de effecten van maatregelen?'
Te weinig gegevens voor een ecologische analyse
Alle evaluaties eindigen met de conclusie dat er geen of te weinig gegevens zijn voor een ecologische analyse van hoe een gebied er aan toe is. Hoe is het dan mogelijk dat er wel weer naar een gereedschapkist met maatregelen wordt gegrepen zonder dat er inzicht is in de natuurlijke processen en de effecten van maatregelen? Grijpt de gedeputeerde niet vooruit op de effecten van recente maatregelen of maatregelen die in de PAS-periode zijn genomen?
En hoe staat het er eigenlijk voor met de bodemkwaliteit?
Hoe staat het ervoor met inzicht in de bodemkwaliteit? Stikstof uit het verleden kan opgehoopt zijn, wat stevige gevolgen voor je mineralen- en metalen huishouding kan hebben. Ik kreeg geen antwoord op de vraag om bodemanalyses uit de gebieden, want dat verschilt per perceel. Dit lijkt mij echter een uiterst relevant inzicht voor de beheerplannen en de maatregelen, dus vraag ik ze via deze weg nogmaals op.
Lever maatwerk en kijk naar de praktijk!
Beheerplannen moeten maatwerk leveren. In het Binnenveld werd gesproken over grote verdroging door landbouwonttrekkingen. Echter wordt er in Het Binnenveld nauwelijks beregend in tijden van droogte. Waar komt de droogte dan vandaan? Daar dient een antwoord op gevonden te worden. We zijn inmiddels 7 jaar in een stikstofcrisis, met focus op de staat van de natuur, maar missen inzicht in hoe de gebieden werken. Hoe gaat de gedeputeerde zorgen dat het inzicht wel geborgd wordt? En is hij het eens dat de agrarische sector hier een stevig punt heeft dat er meer in de praktijk gekeken moet worden?
Een ander voorbeeld uit Het Binnenveld is dat de toegevoegde habitatsoort 'modderkruiper' is verdwenen, want we hebben zijn habitat afgesloten van de omgeving. Oftewel: er is een sloot afgedampt om de waterkwaliteit te verbeteren en de modderkruiper kon niet meer in de sloot komen of het water niet meer bij de modderkruiper. Er moet dus echt maatwerk geleverd worden.
'Als simpelweg de basisdata ontbreekt voor een ecologische analyse, waarom blijft de gedeputeerde dan alleen maar naar drukfactoren wijzen voor falend beheer?'
Verleg de route in de beheerplannen!
Als simpelweg de basisdata ontbreekt voor een ecologische analyse, waarom blijft de gedeputeerde dan alleen maar naar drukfactoren wijzen voor falend beheer? We lezen zelf in de evaluatie dat middelen tekortschieten en dat maatregelen niet worden uitgevoerd, omdat de provincie het niet nodig vindt, zoals het bekalken van percelen in Botshol.
De gedeputeerde noemt de nieuwste wetenschappelijke inzichten het fundament voor nieuwe beheerplannen, maar waar Ros et al om vragen, en de EU ook, zijn plannen met effectgerichte maatregelen die in dat gebied passen. Hoe richt de gedeputeerde de monitoring in om maatregelen op hun effect te kunnen beoordelen? Dit kan nu vaak niet, schrijft hij. Hoe kunnen we dan effectieve maatregelen voorstellen? Ik doe een dringend beroep op de gedeputeerde om de route te verleggen in de beheerplannen en om de Staten daarin mee te nemen.